Ambers standbeelden

Mijn god, het was wéér gebeurd.
Amber zuchtte diep. Betrapt keek ze om zich heen. De opluchting was groot toen ze na het scannen van de omgeving niets ontdekte, behalve dan het nauwelijks hoorbaar gekraak dat vanuit de struiken klonk. Vervolgens bewoog ze zich bliksemsnel in de richting van het geluid, om te ontdekken dat het een nieuwsgierige kauw was, die met zijn pootje op een takje ging staan. In de stilte klonk het echter als een geweerschot. Haar hart zat in haar keel en het duurde even, voordat haar hartslag naar beneden ging.

Ze sprak zichzelf bemoedigend toe en het uitspreken was als een mantra, dat ervoor zorgde dat ze uiteindelijk rustig werd.
Uitgeput maar tegelijkertijd vol adrenaline leunde ze even met haar rug en achterhoofd tegen de dikke boomstam, die onverwoestbaar als altijd, middenin het kleine park stond, als een anker.
Haar gedachten gingen als vanzelf terug naar de vorige winter, toen ze in hetzelfde park een soortgelijke situatie meemaakte.

Amber had als klein meisje al een fascinatie voor dit koude seizoen, terwijl de meeste mensen gruwelden bij het idee de wintermaanden binnen te moeten doorbrengen met de gordijnen dicht en de verwarming aan. Het kon haar niet koud genoeg zijn, het liefst dwaalde ze uren rond in het spookachtige landschap van mist en sneeuw en alleen dan voelde ze zich compleet. Ze was gewoon anders dan de meeste kinderen. Van haar moeder mocht ze niet in haar eentje naar buiten. Ze wist niet waarom, maar door de angstige blik in haar ogen, wanneer ze haar met een waarschuwende vinger toesprak, wist ze dat er erge dingen gebeurden als ze te lang alleen buiten bleef. Ze probeerde het daarom niet te vaak uit, omdat ze haar moeder niet wilde teleurstellen.

Haar schaatsen hingen, zoals ieder jaar, met gestrikte veters glanzend gepoetst en met vlijmscherpe ijzers klaar aan de kast op zolder. Ze kon niet wachten om ze weer tevoorschijn te halen. Helaas liet de vorst zijn koude gezicht niet veel zien en bleven de schaatsen werkeloos aan de zolderkast hangen.
Tot die ene week; het was ergens eind februari,  begin maart. Amber dacht dat een schaatsuitje er deze winter niet meer in zat, maar tot haar grote vreugde waren de weersvoorspellingen voor die week gunstig. Andere mensen praatten in de supermarkt, bij de bakker of de kapper chagrijnig over het waardeloze weer en hoe ze hoopten dat de lente in aantocht was. Eindelijk weer meer tijd buiten zijn en genieten van de zonnestralen op hun gezicht.

In het park was een kleine ondiepe vijver, die bij vrieskou razendsnel bevroor en dan dienst deed als schaatsbaan voor omwonenden. Zo ook dit keer.
Amber besloot op zaterdagmiddag, nadat het minstens vier nachten aan een stuk gevroren had, de schaatsen onder te binden en een poging te wagen. Het was alweer een tijd geleden dat ze haar schaatskunsten had geoefend. Ze ging alleen, zodat ze geconcentreerd kon schaatsen. Die zaterdag was, ondanks de vorst, een sombere en donkere dag. Slechts weinig mensen trotseerden de kou en waagden zich buiten voor een middagje schaatspret. Alleen de echte liefhebbers hadden er bevroren vingers en tenen voor over. Amber trok een thermolegging onder haar trainingsbroek aan en zocht de dikste sokken uit haar la. Een warme ski-jas en wollen sjaal hielden de grootste kou op een afstand, maar ze wist nu al dat ze over een uur of anderhalf op een ijslolly zou lijken. Ze deed wat kleingeld in haar broekzak om zichzelf na afloop op een beker warme chocomel met slagroom te trakteren. Er stond een koek en zopie kraampje had ze deze week gezien.

Rond drie uur arriveerde ze in het park en zag dat er weinig schaatsanimo was. Er waren een stuk of tien mensen, die op hetzelfde idee gekomen waren. Op een bankje trok ze haar schaatsen aan en haar tenen voelden onmiddellijk bevroren aan. Flink in beweging blijven, dat was de beste remedie tegen deze kou, wist ze.

Het eerste proefrondje was voor haar medeschaatsers waarschijnlijk lachwekkend om te zien. Drie keer verloor ze haar evenwicht en viel op haar billen. Ze schaamde zich een beetje en voelde, ondanks de ijzige kou, haar wangen gloeien.
Een paar ronden later had ze eindelijk de smaak te pakken en gleed ze sierlijk over het ijs. Ze genoot van het vrije gevoel dat ze kreeg, terwijl ze op volle snelheid schaatste.
AU! Verbouwereerd wreef ze over haar pijnlijke achterwerk. Een rilling trok over haar rug en de haartjes in haar nek gingen overeind staan, toen ze achter zich de nabijheid van een onbekende voelde. De stem, die van dichtbij in haar oor klonk, zorgde voor een onbehaaglijk gevoel en een alcoholwalm kringelde in haar neusgaten.
“Zó, lekker bezig, wijffie.” Irritatie vermengd met angst borrelde omhoog, maar Amber hield zich in. Een bleke, magere man in een dikke zwarte winterjas met een pokdalig gezicht en te grote neus keek haar uitdagend aan.
“Je hebt veel plek nodig. Kun je niet wat dichter bij de rand schaatsen, dan kunnen mijn maten en ik ónze kunsten vertonen.” Ruw beukte hij met zijn vuist in haar rug. Even wankelde ze op haar schaatsen, om net op tijd haar evenwicht te hervinden.
De andere mannen kwamen in een cirkel om haar heen schaatsen en beletten haar zo een uitgang. Amber kreeg het benauwd en slikte hevig. Gefrustreerd keek ze rond om te zien of iemand in de gaten had wat er gebeurde. Er was niemand op het ijs, alleen het groepje mannen en zij. Angst flikkerde in haar ogen en een seconde kneep ze ze dicht en dwong zichzelf te kalmeren.
“Zullen we dit wijffie eens laten zien hoe ze rondjes moet draaien?” Eén van de andere kerels grinnikte dubbelzinnig en sloeg z’n maat op de schouder.
“Laat het popje maar dansen.”
Amber keek van de één naar de ander en zag een gevaarlijke, bijna dierlijke blik in hun ogen verschijnen. Ze raakte nog meer in paniek en deed haar uiterste best om dit niet aan hen te laten merken.
Haar hartslag ging omhoog en haar ademhaling versnelde. Met korte stootjes blies ze wolkjes rook de lucht in.
De mannen lachten harder en harder. Ambers paniek maakte plaats voor iets anders, iets vervaarlijks. Vanuit haar tenen kwam het opzetten en verspreidde zich als een kronkelende slang door haar lijf op zoek naar zijn slachtoffer.
Vanuit de verte rolde donderwolken aan, de lucht werd donkerder en een mist zette op.
Toen één van de mannen akelig dicht voor haar kwam staan en zijn hand naar haar uitstak, leek Amber uit haar lichaam te treden en ze opende haar mond, waarbij een ijselijke gil haar keel verliet.
Het geluid was zo doordringend dat de mannen hun oren bedekten en in elkaar doken. De kou werd ondraaglijk en het duurde slechts enkele minuten, voordat vijf ijsblokken op de bevroren vijver stonden, op hun gezichten een uitdrukking van absolute horror.
Het duurde een paar tellen voordat Amber ontwaakte uit haar trance, ze haar mond dichtklapte en vol afgrijzen naar het tafereel staarde, dat zich voor haar ogen ontvouwde. Geschokt liet ze zich op haar knieën vallen, terwijl dikke tranen in haar ogen verschenen en als ijspegeltjes over haar wangen rolden. De aanblik van de vijf bevroren mannen was zowel afgrijselijk als bevredigend. Ze schaamde zich voor het aangename gevoel dat zich als een warm bad in haar binnenste nestelde.

Bekomen van de schok en schrik, kwam ze overeind, toen haar trainingsbroek doorweekt was van het laagje water dat op het ijs stond. Opnieuw rilde ze.
De mist, die zo mysterieus kwam opzetten, verdween even geruisloos als hij verschenen was.
“Hallo, mevrouw”, een kinderstemmetje haalde haar uit haar overpeinzingen en bracht haar met beide voeten op de grond. Hè, waar kwam dit meisje vandaan? “Wat deed u daar?” Nieuwsgierig kwam het blonde meisje, met twee vlechtjes die vrolijk langs haar hoofd bungelden, op haar af.
“Stop, kom niet dichterbij.” Ze had meteen spijt van haar woorden, toen ze het bedrukte snoetje van het arme kind zag. Het meisje zette beduusd enkele stappen naar achteren, maar bleef met grote ogen Ambers kant opkijken.
“Ach, het spijt me”, zei Amber vriendelijk. “Ik bedoelde het niet zo. Ik schrok toen ik je zag.”
“Het geeft niet.” Het meisje klonk iets vrolijker en zette voorzichtig een paar passen in haar richting. “Ik ben Emmy en hoe heet jij?” Ze stak verlegen haar kleine handje naar haar uit. Amber rechtte haar schouders, ademde diep in en pakte het handje aan. Het voelde warm en plakkerig. Als vanzelf verscheen een glimlach op Ambers gezicht. De ijzige kilte in haar binnenste werd langzaam verdreven door het ogenschijnlijk zonnige karakter van Emmy.
“Dag lieve Emmy. Ik ben Amber. Ik vind jou een dapper en vrolijk meisje. Ben je hier helemaal alleen?” Ze keek om zich heen en hoopte dat niemand gezien had wat zich hier de afgelopen minuten had afgespeeld.
“Ik was hier met papa.” Een schaduw gleed over haar gezichtje. Ambers hart maakte een vrije val, toen ze besefte wat er zojuist gebeurd was.
“Waar is je papa nu?” vroeg Amber tegen beter weten in. “Ik zie hem niet.” Alsjeblieft, laat haar niets gezien hebben, alsjeblieft, alsjeblieft.
“Hij was er net nog. Ik kreeg het opeens zo koud en ik was héél bang, daarom deed ik mijn ogen dicht en toen ik ze opendeed was papa weg. Ik riep papa, maar hij zei niets.” Een traan rolde langzaam over het rode wangetje naar beneden. Emmy wreef met haar hand over haar ogen. Amber wilde niet laten merken hoe opgelucht ze was en hield haar gezicht in de plooi.
“Oh jee, dat is vreselijk. Zullen we hem samen gaan zoeken?” Ze stak haar hand uit en toen Emmy deze vol vertrouwen aanpakte, kneep ze in het kleine, warme handje. Haar hart brak, totdat het inzicht haar met volle kracht bereikte. Natuurlijk, nu vielen alle puzzelstukjes op hun plek. Een lach ontsnapte en Emmy keek haar vragend aan.
“Het is niets, liefje. Ik weet wat ik moet doen.” Emmy knikte en lachte terug.
“Waar gaan we naartoe?” klonk het blije stemmetje na enkele minuten.
“Weet je waar je woont?”
“Ja, in de Berkenstraat op nummer 12. Mama zegt altijd dat ik dit nooit mag vergeten.”
“Wat een slimme mama heb je.” Amber haalde opgelucht adem.

Zodra ze Emmy bij haar moeder had afgezet en haar de situatie uitlegde, wist Emmy’s moeder direct wat ze bedoelde. Emmy en haar moeder waren al jaren doodsbang voor hun vader en ex-man, ze vocht al jaren om de voogdij over Emmy te krijgen en hem uit hun leven te bannen.
Amber vertelde dat ze getuige was geweest van een incident tussen de twee, dat ze hem geconfronteerd had en dat hij er als een haas vandoor was gegaan, Emmy daarbij huilend achterlatend. Het was beter haar dit verhaal te vertellen. Bovendien zou niemand het echte verhaal geloven.
Ze wist dondersgoed dat wat ze gedaan had niet te verklaren was, dus waarom zou ze überhaupt moeite doen het uit te leggen?

Met een schok kwam ze terug in het hier en nu. Opnieuw had zich een drama voor haar ogen afgespeeld en was ze als een heuse ijsprinses in de bres gesprongen voor het meisje, dat ten prooi viel aan de groep hangjongeren in het park.
Zodra ze bemerkte dat de jongens haar insloten, kreeg ze hetzelfde gevoel als tijdens die winter en meteen wist ze wat dit betekende.
Een beetje opgewonden deed ze haar mond open en er klonk een indringend, ijselijk gegil door het park. Tegelijkertijd werd het koud en mistig en een schrale wind waaide dwars door degenen die zich nog buiten durfden te wagen.
Het meisje keek apathisch voor zich uit en leek niet te beseffen wat er zojuist gebeurd was. Amber zei niets en nam haar aan de hand mee naar het dichtstbijzijnde café, waar ze de barman vroeg hen een kop hete koffie te brengen.

Een kwartier later was het meisje gerustgesteld en had Amber haar wijsgemaakt dat de jongeren er vandoor waren gegaan, toen een omstander hen te hulp was geschoten. Dankbaar had ze geknikt en Amber haalde opgelucht adem: haar geheim moest voor altijd bewaard blijven. Eenmaal buiten lachte ze hardop en met een licht hart vervolgde ze haar weg naar huis.

In de jaren die volgden, stonden regelmatig nieuwsberichten in de krant, over geheimzinnige ijsstandbeelden, die een enkele keer in de wintermaanden verschenen om daarna net zo snel als sneeuw voor de zon weer te verdwijnen.